Van gedragsmanagement naar co-regulatie: hoe we kinderen in de klas echt kunnen zien
Op weg naar een paradigmaverschuiving in het onderwijs
Inleiding
Ik zag een gesprek op YouTube tussen Debbie Steinberg-Kuntz, relatie- en gezinstherapeut, met Dr. Mona Delahooke en Dr. Stephen Porges. Dr. Delahooke is klinisch psycholoog en auteur van Beyond Behaviors, waarin ze hersenwetenschap en compassie gebruikt om gedragsuitdagingen bij kinderen beter te begrijpen en te veranderen. Dr. Stephen Porges is hoogleraar psychiatrie en de grondlegger van de polyvagaaltheorie, waar je her en der op RelaxMore.net meer over kunt lezen en bij ondergetekende ook een tweedaagse training in kunt volgen.
De drie bespreken hoe het onderwijssysteem met behulp van inzichten uit de polyvagaaltheorie een omslag kan maken bij het begrijpen van- en omgaan met gedragsproblemen bij kinderen.
Ik vond het zo’n mooi en inzichtgevend gesprek dat ik er een samenvattend artikel van heb gemaakt. Een prachtig voorbeeld van hoe de polyvagaaltheorie in het dagelijks leven toepassing kan gaan vinden. Als je wilt, kun je ook zelf het gesprek bekijken, onderaan het artikel vind je de film.
Onrust in de klas
Leerkrachten hebben het zwaar. Zelfs zonder pandemie of personeelstekort is het onderwijs een veeleisende werkplek, vol verwachtingen, verplichtingen en verantwoordelijkheden. En dan hebben we het nog niet eens over de toename van onrustige gedragsuitdagingen in de klas: kinderen met ADHD, autisme, angsten, leerstoornissen, of kinderen die op een andere manier wel eens uit de pas lopen. Kinderen die snel driftig reageren, weigeren om mee te doen, voortdurend bewegen of zelfs niet meer naar school willen komen.
Vaak wordt dit gedrag gezien als lastig of als ‘probleemgedrag’. Maar wat als we het eens anders bekijken? Wat als dit gedrag geen bewuste keuze is, maar een signaal van wat er intern, in het lichaam van het kind, gaande is?
Gedrag spiegelt de innerlijke staat
Volgens klinisch psycholoog Mona Delahooke is het tijd voor een fundamentele verschuiving in hoe we gedrag interpreteren. Ze stelt dat veel gedrag dat als ‘verkeerd’ of ‘opstandig’ wordt bestempeld, in feite een reflexmatige reactie is op stress en een onbewust gevoel van dreiging. Het is dus niet een slimme strategie om aandacht te krijgen of om de leerkracht te manipuleren, maar een poging van het lichaam om te zich staande te houden1. In plaats van gedrag te beoordelen, zouden we het kunnen zien als een soort code, een venster naar de innerlijke staat van het kind2.
In meer polyvagale termen beschreven: Wat we vaak zien als probleemgedrag, is eigenlijk een vorm van fysiologische bescherming. Het zenuwstelsel schakelt over naar een defensieve toestand: vechten, vluchten of bevriezen. In die toestand is leren niet mogelijk. Co-regulatie – afgestemde, kalme aanwezigheid van een volwassene – is dan het enige wat helpt.
Deze benadering sluit aan bij het werk van Dr. Stephen Porges, de grondlegger van de polyvagaaltheorie. Hij introduceerde het begrip neuroceptie: het onbewuste opererende vermogen van het zenuwstelsel om veiligheid of dreiging te signaleren. Zonder dat een kind het zelf weet of benoemt, scant het lichaam voortdurend de omgeving3.
Continue activatie
Een klaslokaal met harde geluiden, met continue zachte geluiden (denk aan ventilatiesystemen, airco’s of brommende TL-buizen) of waar een gespannen sfeer heerst, kan door het zenuwstelsel van het kind als onveilig worden ervaren. Voor sommige kinderen – bijvoorbeeld met autisme of ADHD – kan dat leiden tot constante waakzaamheid of beweging. Niet omdat ze ‘druk’ zijn, maar omdat hun lichaam simpelweg niet tot rust kan komen.
‘Moeilijk’ gedrag is dus geen opzet. En termen als ‘autistisch gedrag’ doen vaak tekort aan de complexiteit en diversiteit van hoe kinderen reageren op hun omgeving. Een woede-uitbarsting is niet typisch voor een bepaalde diagnose; het is een signaal dat het kind zich niet veilig voelt. Veel kinderen worden dagelijks aangesproken op gedrag dat ze niet bewust kiezen. Een voorbeeld: een kind kreeg keer op keer negatieve feedback omdat het niet stil kon zitten. Maar niemand vroeg zich af waarom het lichaam van het kind steeds in beweging moest blijven. De omgeving, niet het kind, veroorzaakte onrust4.
Wat vertelt het gedrag over de innerlijke toestand?
Wat kinderen nodig hebben, is iets anders dan nóg een beloningssysteem, stickerkaart of time-out-optie. Wat ze nodig hebben, is gezien worden in hun innerlijke toestand. Hun gedrag is geen bewuste keuze, maar een uitdrukking van hoe veilig of onveilig hun lichaam zich voelt. En precies daar schuurt het met hoe veel scholen – en lerarenopleidingen – naar gedrag kijken.
Wat kan een leerkracht hiermee? Zeker in een klas met 25 leerlingen, waarvan er meerdere extra ondersteuning vragen, lijkt minder sturen op gedrag misschien een onmogelijke opgave. Toch begint het met iets relatief eenvoudigs: een andere manier van kijken. Van gedragsmanagement naar co-regulatie. Niet: hoe krijg ik dit kind stil? Maar: wat vertelt dit gedrag mij over hoe het kind zich vanbinnen voelt?
Lastig gedrag wordt begrijpelijker
We zijn gewend gedrag te duiden als functioneel: het kind wil iets (aandacht, controle, vermijden) en gebruikt gedrag als middel. Vanuit die logica volgt gedragsbeïnvloeding: straffen, negeren, belonen. Maar wat als dat gedrag een reflex is, gestuurd door een overbelast zenuwstelsel dat simpelweg probeert zich staande te houden?
Een praktisch voorbeeld: een kind wiebelt onrustig op zijn stoel. In plaats van het te corrigeren, kun je zeggen: “Johnny, zou jij me kunnen helpen die stapel boeken te verplaatsen?” Zo geef je het kind een kans om te bewegen zonder er een oordeel over te geven of het kind door de correctie te straffen, dus zonder het kind het idee te geven dat er mis met hem of haar is. Je erkent volledig de behoefte, je laat het kind weten: ik zie jou. En dat heeft een kalmerend effect. Het is het zich gezien voelen dat de co-regulatie voedt. En het geven van een taakje in de vorm van een aantal boeken verplaatsen of aangeven, maakt dat het kind zich ook nog nuttig voelt. Dus beweging gunnen aan een kind is goed, en optimaal is het als dat met behoud van interactie kan.
Via interactie wordt het sociale betrokkenheidssysteem ingeschakeld en geoefend. Immers, interactie leidt tot gebruik van de aangezichtsspieren (mimiek), stem en lichaamstaal. Een goed ontwikkeld sociaal betrokkenheidssysteem maakt dat een autonoom zenuwstelsel beter de oudere mobilisatie- en immobilisatiesystemen kan downreguleren. In eenvoudiger woorden: via co-regulatie kan een kind de benodigde zelfregulatie ontwikkelen, en niet andersom.
Ook de inrichting van een klaslokaal kan verschil maken, net als de plek van een kind in de klas. Kinderen met het label ADD worden best vaak voorin de klas neergezet, zodat een leerkracht ze beter in de gaten kan houden. Het zenuwstelsel van deze kinderen zal dan echter juist sneller in de alarmstand gaan, omdat ze de fysieke rugdekking missen en ze onbewust last hebben van de onrust achter hen. Dus een rustige plek achterin het lokaal werkt waarschijnlijk beter.
Zoals Mona Delahooke het zegt: relatie en afstemming zijn belangrijker dan welke strategie of protocol dan ook. Het begint met kijken vanuit verbinding in plaats van controle. Want zodra een kind zich veilig voelt, verdwijnen veel gedragsproblemen vanzelf. Niet omdat ze gecorrigeerd zijn, maar omdat ze niet meer nodig zijn.
En wat is het effect van de leerkracht?
En laten we niet vergeten: kinderen reageren sterk op de gemoedstoestand van de leerkracht. Een leerkracht die zelf gespannen is, straalt onbedoeld onrust uit in de groep. Emotionele beschikbaarheid is cruciaal – en ja, dat is in deze tijd misschien veel gevraagd, maar het maakt werkelijk verschil.
Belangrijk is ook hóe we dingen zeggen. Een ‘bewegingspauze’ geven aan een kind kan heel verschillend overkomen, afhankelijk van de toon. “Loop maar even een rondje” kan voelen als afwijzing en een opdracht aan een lastig kind. Maar “Ik zie dat je lichaam beweging nodig heeft, wil je even een rondje lopen?” voelt als zorg en afstemming. Al hebben ze er misschien nog niet de woorden voor, kinderen voelen het verschil feilloos.
Van leerkrachten gaan we dan dus eigenlijk vragen om een soort super-co-regulator te zijn en minder een politie-agent5. Maar dan moet die leerkracht daar wel toe in staat gesteld worden.
Van gedragsmanagement naar emotieregulatie en coregulatie
Co-regulatie is het vermogen om je autonome toestand – je lichaamsgevoelens en emoties – te reguleren met behulp van de relatie met de zenuwstelsels van andere mensen. Het is een tweerichtingsproces: mijn rustige gemoedstoestand helpt een cliënt om bij een lastig gevoel te blijven zonder erin te verdrinken. Tegelijk merk ik wél dat de gemoedstoestand van de ander gespannen is, en kan ik daarbij blijven zonder erin mee te gaan.
Idealiter werken co-regulatie en neuroceptie bij een leerkracht nauw met elkaar samen, zodat subtiele signalen van stress en onveiligheid van een kind opgepikt worden (op onbewust niveau, dat is hoe neuroceptie werkt) en tijdig kunnen leiden naar een regulerende strategie, zoals het boven beschreven aanbod om even een rondje te gaan lopen, of om een ander plekje in de klas te geven aan een kind dat blijkbaar vandaag een dag heeft waarop het zenuwstelsel wat meer “aan” staat.
Juist het bewust zijn van kleine indicatoren van onrust, een waarschuwing dat de-regulatie op de loer ligt, maakt dat escalatie voorkomen kan worden en het kind regulerende vaardigheden traint. Reguleren leren kinderen nu eenmaal enkel en alleen door het voorbeeld van een gereguleerde ouder, verzorger of leerkracht.
Een gespannen volwassene roept onrust op. Een kalme, afgestemde leerkracht kan een klas ‘dragen’, zelfs als er van alles misgaat. Kinderen spiegelen ons zenuwstelsel. Claire Wilson, een Britse leerkracht en auteur, beschreef hoe chaos in haar klas vaker voorkwam als zij zelf emotioneel niet beschikbaar was. Zelfregulatie en co-regulatie gaan dus hand in hand.
Maar hoe doe je dat dan, met 25 kinderen of meer in een klas en beperkte tijd? Het eerlijke antwoord is: het vraagt oefening, reflectie en een systeemverandering. Maar de eerste stap is verrassend eenvoudig: zie gedrag niet als iets wat je moet beheersen, maar als een uitnodiging tot contact.
Een ziek onderwijssysteem
Het stond er schijnbaar achteloos: dat woordje ‘systeemverandering’ in de vorige alinea. Een klas met 25 of meer leerlingen is geen sinecure voor een leerkracht. Het steeds meer moeten registreren, ouders met kortere lontjes, hoog ziekteverzuim, het zijn allemaal tekenen dat het onderwijssysteem ziek is. En wat we daarop bedachten: meer regels, zodat we beter kunnen monitoren en ‘regelen’. Hmmm, het werkt nog steeds niet, laten we er nog wat regels en toetsen bij bedenken.
Misschien stel ik het wat ongenuanceerd, maar voor de meeste mensen is het wel duidelijk dat er iets mis is met het onderwijssysteem. Vooral kinderen en leerkrachten zijn er de dupe van. Want laat het duidelijk zijn – en het wordt in het interview gelukkig ook enkele malen benadrukt – dat het interview en ook dit artikel niet tot doel hebben om leerkrachten in een kwaad daglicht te stellen. Leerkrachten zijn de superhelden van het onderwijssysteem!
Door middel van het voortschrijdend inzicht dat de polyvagaaltheorie ons geeft, hebben we anno nu goede aanwijzingen dat het tijd wordt voor een herziening van de fundamenten van het onderwijs. Gedragsmanagement mag vervangen worden door emotieregulatie en co-regulatie. Dat vraagt een shift in mindset: van beheersen naar begrijpen; van controle naar contact.
Een goed gereguleerde leerkracht voor de klas vraagt waarschijnlijk kleinere klassen, minder regeldruk, betere arbeidsvoorwaarden en een herwaardering van gymnastiek en creatieve vakken. Dit soort vakken zijn geen luxe-producten, maar helpen essentiële vaardigheden en menselijke eigenschappen te ontwikkelen. Zo kan het onderwijs weer leuker worden om te volgen en om in te werken, kan speelsheid (“playfulness”) weer terugkeren in de klas, kunnen we neurodiversiteit gaan vieren en hoeven we kinderen niet te straffen voor wie ze zijn. Dat kost geld, maar het levert nog veel meer op, dus is het een heel verstandige investering.
Hoe het kan worden …
Wat dacht je bijvoorbeeld van een generatie mensen die over 25 jaar volwassen zijn en die gezond omgaan met emoties, waarbij hebzucht en afkeer niet zo’n grote rol spelen en die dus meer het verband van zelfbelang en het belang van het grote geheel kunnen overzien en begrijpen? Een generatie die snapt dat je soms iets moet laten of soms niet van een recht gebruik moet maken, omdat dat op langere termijn beter is, die zichzelf dus kan begrenzen. Een generatie die mentaal gezonder en meer in balans is, waardoor de hele geestelijke gezondheidszorg ineens niet meer hoeft te groeien en wie weet zelfs kan krimpen. Een generatie die zelf kinderen gaat krijgen waarbij dan minder jeugdhulpverlening nodig is.
Een utopie? Volgens mij is het mogelijk.
Hieronder kun je het interview bekijken, het is de moeite waard. 😉
“Om te overleven” is feitelijk – in de biologische zin van het woord – wat er gebeurt, maar ik wil niet iedere keer de indruk wekken dat het leven van het kind echt in gevaar is.
In polyvagale termen hebben we het dan over de autonome staat van het kind.
Niet alleen bij kinderen, dit gebeurt bij alle mensen.
En vergeet daarbij niet dat er ook kinderen zijn die thuis in onveiligheid leven.
Nu gaat dit artikel vooral over onderwijs, maar natuurlijk gaan soortgelijke geluiden op voor het gezinsleven en de rol van ouders.
even op z'n Engels Ronald: hear hear!!